De keerzijde van de moderniteit: neurosen

Word jij soms ook moedeloos als er weer een nieuwe psychische stoornis geïdentificeerd is? Onlangs verscheen misofonie aan het firmament, overgevoeligheid voor geluiden, bijvoorbeeld smakgeluiden. En welke coach raakt niet zo nu en dan in een impasse met een klant die onwrikbaar is in zijn of haar beeld over moeder, baas of baan? Wordt er steeds heftiger geleden of worden we steeds (over)gevoeliger?

Een bijna vergeten juweel onder de Duitse Jungiaanse psychologen, Wolfgang Giegerich, wierp een interessant licht op deze kwestie. Zijn punt is, is misschien niet de jeugd of het familiesysteem van de cliënt of coachee de oorzaak van de klachten, maar het bewustzijn waarin wij leven?

We kunnen er toch niet omheen dat met het ontstaan van het moderne bewustzijn veel nieuwe ziektefenomenen hun intrede deden? De depressie-epidemie, eetstoornissen als anorexia en boulimia en vele andere dwangneurosen. En last but not least lijkt burn-out de nieuwe volksziekte nummer één te worden. De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) groeit als kool en het einde is nog niet in zicht.

Je zou kunnen zeggen dat het angstaanjagende dat de mens vroeger buiten zichzelf zag, bijvoorbeeld met een blik op een meelijwekkende maar afzichtelijke pestlijder, nu in zijn innerlijk wordt gevonden.

Waar komt de neurose vandaan?

Het begrip neurose werd al in de 18e eeuw beschreven door de Schot Cullen als een soort restcategorie, een menselijk lijden zonder fysiologische oorzaak. Maar eigenlijk is neurose een begrip uit de psychoanalyse. Freud verklaarde de neurose als de uitdrukking van een onbewust conflict tussen het libido en het superego, het moraliserende en kritiserende deel van onze psyche, of als een trauma tijdens iemands jeugd, maar in ieder geval als een verschijnsel op het niveau van het individu. Tegenwoordig wordt het gedefinieerd als een grotendeels onbewust psychisch conflict waarvan de symptomen een afgeleide uiting zijn. Een voorbeeld is het voortdurend wassen van je handen, wat echt niet helpt tegen onbewust beleefde onreinheid. Maar de neurose ontstond pas op grote schaal toen het individu zijn collectieve fundament, de zekerheden van godsdienst, hiërarchie en paternalisme verliet en het op eigen benen moest staan. Het kon zijn waarheden tot dan toe altijd van boven halen, van buiten. Nu moet de mens voor een antwoord op de vraag wat goed was en wat fout in zijn innerlijk kijken. En dat is blijkbaar een worsteling.

Wat doet de therapie?

In de therapie wordt een verklaring voor de neurose, laten we bij het voorbeeld van de anorexiapatiënte blijven, nog vaak in de kindertijd gezocht. Waren er traumatiserende ervaringen? Hoe was het contact met de ouders? We kijken vooral naar de persoon, hoewel ook het omringende (familie)systeem steeds meer in de analyse betrokken wordt. Maar de vraag die hier wordt opgeworpen gaat over een ander perspectief. Kijken we ook naar de lucht die we inademen, naar het bewustzijn waarin we leven? Die vraag stelt de therapie meestal niet. Als er in de zee veel vissen ziek zijn kunnen we bezien welke fysieke afwijkingen er zijn, zelfs in welke positie ze in de school zwemmen, enzovoorts. Maar de doorslaggevende vraag is: in welk water zwemt de vis? Deze vraag stelt de therapie zelden. Waarom niet? Omdat de therapie, qua bewustzijn, in hetzelfde water “zwemt” als de patiënt.

Wolfgang Giegerich’s observaties

Volgens Giegerich ontstond de neurose op het moment dat men vragen “Wie moet ik zijn”,  of “Hoe moet de wereld zijn?” ging beschouwen en begrijpen met innerlijke criteria van absoluutheid. De moderniteit is de tijd van de vrijheid en de vrije keuzen. Dat ging in de periode daarvoor, die van het groepsbewustzijn anders, daarin was alles absoluut: Hemel of Hel, God of de duivel, Boven of onder. Giegerich zegt: “in de neurose komt opeens, zonder dat iemand het merkt, iets ouds waarvan de mens eigenlijk afscheid wilde nemen door de achterdeur weer binnen, namelijk het absolute van het groepsbewustzijn”. In de neurose wordt de werkelijkheid alleen nog met de criteria van absoluutheid bekeken.

Herken je ze, dit soort uitspraken, in de werkelijkheid om je heen? Het “absoluut onacceptabel”, het absoluut “noodzakelijke!”. Maar bracht de moderniteit ons niet juist de individuele vrijheid? De anorexiapatiënte relativeert echter niets. Daar is geen compromis van ‘s-morgens een appel en ‘s-middags een krentenbol. Het is het pure uit-ageren van het absolute. Met dit absolute laat de neurose zien dat zij zich met een dwingende overtuiging verzet tegen, immuun is zelfs, voor rationele inzichten of concrete ervaringen die voor anderen wel helpend en richtinggevend kunnen zijn.

En Giegerich voegt eraan toe; “De neurotische psyche weet in principe best wat waar is en wat niet, maar trekt daaruit niet de nodige consequenties. Bijvoorbeeld weet hij heel goed dat, omdat moeder hem 25 jaar lang niet de liefde heeft gegeven die hij verlangde, ze die langverwachte liefde niet vandaag of morgen opeens wél zal geven. Maar de neurotische ziel staat er op die verwachting te blijven koesteren. In het algemeen kun je zeggen dat de neurose de weigering inhoud om de werkelijke wereld binnen te treden”.

… en het LIP proces?

Samenvattend zegt Giegrich: “De neurose is de bestaande tegenstelling tussen de ziel en de moderne empirische werkelijkheid”. Dit is het punt waar zijn redenatie, als zeer rationeel denker, ophoudt. Dit is ook het punt waar het levensintegratieproces (LIP) verder gaat en er een nieuw, spiritueel perspectief kan ontstaan: om echt in de werkelijkheid te stappen en deze volledig toe te laten. LIP is een opstellingsvorm waarbij hij gebruik maakt van de verschillende levensfasen van de mens. In dit proces stelt men de cliënt meestal op als “volwassene” en daarbij representanten voor de drie eerdere fasen van het leven van de cliënt: “het ongeboren kind (je essentie)”, “het jonge kind” en “de adolescent”. In dit model is het perspectief van de volwassene in feite een spiritueel perspectief: in het zelf-bewustzijn van de volwassene aanvaard men op een vanzelfsprekende wijze dat wat is, hoe men zelf is, hoe de anderen zijn en hoe de wereld is.

We hebben het dan over een spiritualiteit waarvan Krishnamurti zegt: “de enige spiritualiteit is de onkreukbaarheid van het zelf”. Het is eigenlijk een stap die niet meer naar het verleden is gericht, die niet meer de vraag stelt hoe de wereld moet zijn, wie God is of waar de duivel, maar die helemaal bereid en in staat is in de leegte van het volwassen bewustzijn te stappen. Dat is een andere spiritualiteit dan die van de esoterie-bladen die zich juist niet in de werkelijkheid lijkt af te spelen maar in de yogaklas op Bali of in een zweethut in de Ardennen. Daarom, tot slot, Krishnamurti: “het is de werkelijkheid die bevrijdt, niet je pogingen om vrij te zijn.”

 

Die Moderne und Individualisierung: Zersplitterung von Materie und Geist (3)

bisher in dieser Serie

Komplexität und Kontrollverlust

Regierungsorganisationen sind im Laufe der letzten Jahrzehnte sehr kompliziert geworden. Das ist auf die ständig wachsende gesellschaftliche Komplexität, die unaufhaltsame Digitalisierung, regelmäßige Haushaltskürzungen und sich ändernde politische Prioritäten zurückzuführen. Darüber hinaus können Regierungsorganisationen ihren Verantwortungsbereich nicht auf die von ihnen kontrollierten Bereiche beschränken, wie das in der Geschäftswelt möglich ist. Zum Beispiel kann die Regierung die Jugendbetreuung nicht aussetzen, wenn sie denkt, dass sie zu teuer wird. Continue reading “Die Moderne und Individualisierung: Zersplitterung von Materie und Geist (3)”

Das Ende der Machbarkeitsillusion (4)

Bisher in dieser Serie

Wenn man die Corona-Krise betrachtet, macht es keinen Sinn, den nächsten Stein in den Polarisierungsteich zu werfen. Lassen Sie uns einen nüchternen Blick auf die Phänomenologie des staatlichen und politischen Handelns werfen. Der Staat hat getan, was in einer risikobehafteten Gesellschaft, die vom Machbarkeitswahn besessen ist, zu erwarten ist, schon allein deshalb, weil alle in Europa das Gleiche getan haben. Continue reading “Das Ende der Machbarkeitsillusion (4)”