Het einde van de ironie

Mag er nog gelachen worden om foute grappen? Bestaat over een paar jaar humor nog waarin anderen geparodieerd worden? “Waarom is de ironie verdacht geworden?” vraagt de VK zich af in de vrijdagse Kunstbijlage. Twee theatergezelschappen merken dat hun ironische stijl steeds minder gepruimd wordt. Die leidde tot voor enkele jaren nog tot de jubelkreet “Onverbiddelijke toneelsatire”. Maar opeens lijkt hun ironie te botsen met de politiek-correcte dogma’s van (vaak jongere) toeschouwers of collega’s

Het antwoord? Omdat in het hedendaagse collectieve bewustzijn het “ik” een absolute waarde heeft gekregen. Wat valt er dan nog te parodiëren?

Een parodie is een stijlvorm die bedoeld is om een werk of een persoon te imiteren of belachelijk te maken door middel van satirische of ironische imitatie. Die imitatie plaatst zichzelf ten opzichte van een persoon of object, we vergelijken realiteit met ironische imitatie. We kennen waarschijnlijk allemaal Charlie Chaplin’s imitatie van Hitler, een van de beroemdste voorbeelden van parodie in zijn film The Great Dictator.

Hoewel de parodie een oud fenomeen is – Aristoteles sprak er al over – is het met name een verschijnsel van de moderniteit: toen door de individualisering het ‘ik’ werd toegestaan, ontstond het ‘jij’.  Dus vanaf pakweg de 60’er jaren kon je in het Westen de ander, vaak een autoriteit, belachelijk maken.

Dat was daarvoor, in de tijden van het groepsbewustzijn heel anders. In het groepsbewustzijn zijn parodie en ironie een teken van gebrek aan respect. Ik neem bijvoorbeeld aan dat we het eens zijn over de slechte reputatie van de moslim-extremisten van IS op het gebied van ironie en relativering 😉 ?

Maar op enige moment verloren spot en ironie hun nieuwigheid. Opeens waren de hoogtijdagen van Yes Minister en Spitting Image voorbij. Toen volgde reality-tv, met “Oh Oh Cherso”.  Waarom iemand anders parodiëren als hij/zij dat zelf veel beter kan?

Nu hebben we een nieuwe fase bereikt: Het ultieme niveau van reality-tv is de echte president van de VS, die niet kan worden overtroffen door de beste parodie van hem. Elke overdrijving, elke grap, leugen of raar gebaar komt gewoon in de werkelijkheid voor. Het gevolg is dat humor niet langer kan dienen om de relativiteit van iets te tonen. Het belachelijke en het groteske zijn niet meer te relateren aan een objectieve standaard van hoe een Amerikaanse president zou behoren te zijn. Wat rest is de subjectieve waarheid van een individu, in casu de narcist Trump. Hoe vreemder hij zich gedraagt, hoe meer de verbijstering van het publiek als reactie daarop zijn woede opwekt.

We zijn dus beland in een tijdperk waarin de dagelijkse en feitelijke verschijning van één van de hoogste autoriteiten ter wereld samenvalt met de best denkbare parodie van diezelfde persoon. En als het subjectieve ‘ik’ even goed is als het objectieve ‘ik’, is er geen objectiviteit meer. Het is hetzelfde fenomeen dat ten grondslag ligt aan het optreden van nepnieuws.  Als nieuws niet meer vatbaar is voor objectivering, is elk nieuws subjectief nieuws en dus mogelijk nepnieuws.  We missen een referentiekader. En Trump kan alles zeggen wat hij wil, alles wat een eerdere president niet had kunnen zeggen zonder in ernstige problemen te komen. 

NB.  Onlangs vertelde acteur Alec Baldwin op Extra TV over de record-brekende kijkcijfers van Saturday Night Live (SNL) en zijn imitatie van Donald Trump.  Baldwin zegt dat het niet erg leuk is om Trump te spelen. “Hij is gespannen, hij is boos, en dat is niet leuk om te spelen”.  En Alec legde verder uit dat hij gewoon speelt wat de president zegt. “Nog iets dat ik zo raar vind aan wat we doen, we herhalen gewoon wat hij zegt … Dit doen is vreemd, maar wat nog vreemder is, is dat het echt is”.