Complexiteit, maakbaarheid en bewustzijn (4)

wat vooraf ging

Karl Popper heeft in een van zijn hoofdwerken een interessante, bijna ironische observatie over maakbaarheid in relatie tot complexiteit, aan de hand van een begrip dat dezer dagen welig tiert, de complottheorie. De denkfout, zegt hij, bij de aanhangers van complottheorieën is dat zij menen dat instituties zo zijn te construeren dat ze voornemens en plannen helder en succesvol kunnen realiseren. Maar, zegt hij, een moderne maatschappij kenmerkt zich er veel meer door dat het een complexe structuur met ongedachte gevolgen produceert. Daarom zal geen enkel complot, hoe briljant ook, slagen. De realisatie zal altijd sneuvelen als gevolg van de complexiteit van de sociale werkelijkheid.

Complexiteit en maakbaarheid zijn beide typische symptomen van het moderne bewustzijn, en ze bijten elkaar. Complexe systemen zijn niet maakbaar, in constructivistische zin, ze vereisen een andere wijze van sturing. De samenloop van complexiteit en de maakbaarheidsidee creëert een impasse: de pretentie/onmacht paradox

Onze kijk op complexiteit wordt bepaald door het bewustzijn van waaruit we kijken. En bewustzijn is te beschouwen als de manier waarop we naar de wereld en onszelf kijken, deze zien en waarnemen, en ze daarom zo beleven.

En wat we waarnemen en ervaren beschouwen we als de werkelijkheid.

In de middeleeuwen was alles wat onbegrijpelijk en onbeheersbaar was van God. Daarmee stond complexiteit gelijk aan het Goddelijke, en chaos was een door God gegeven feit.

Onze huidige bestuurlijke structuren en principes dateren van de vorige eeuwen, toen het groepsdenken nog hoogtij vierde. Identiteit en positie werden ontleend aan de groep waartoe je behoorde. Autoriteit was een aanvaard kenmerk van de groep. In deze periode is complexiteit nog een oplosbaar vraagstuk dat je aan ingenieurs moet overlaten, want een ingenieur is een autoriteit. Dat was prima om de eerste spoorlijn, die van Haarlem naar Amsterdam aan te leggen en feestelijk te openen. Het volstond zeker nog om de Zuiderzee in te polderen. Maar met bijvoorbeeld de WAO (1967) kwamen we in een grensgebied. Politiek en maatschappelijk was deze stap logisch en zinvol. Vanuit de complexiteitstheorie was dit echter al een riskante stap, er gingen ongedachte en ongewenste bijeffecten ontstaan.

Toen de moderniteit in de 60’er jaren collectief doorbrak kwam er zo’n gigantische hoeveelheid aan ontketende individuele creativiteit, energie en ambitie vrij dat we daarmee enkele decennia grote maatschappelijke vooruitgang konden boeken. De emancipatie bloeide als nooit tevoren. Maakbaarheid bestond! Deze periode wordt in Frankrijk niet voor niets “les Trentes Glorieuses” (‘45-‘75) genoemd.

Onze vrijheid was toen nog vers, het voorafgaande geketende groepsdenken was nog warm. Daarom veronderstelden we dat vrijheid maakbaarheid impliceerde. “Ik denk, dus ik doe”, vrij naar Descartes. De maakbaarheids-idee had de reputatie een overwegend links thema te zijn. En inderdaad, na de tweede wereldoorlog streden het groepsbewustzijn via het conservatisme en de moderniteit via progressivisme een felle strijd tussen het oude en het nieuwe bewustzijn.

Toen in de tachtiger jaren de euforie van de moderniteit voorbij was kwam er korrel voor korrel zand in de machine. De beste van alle werelden, de Westerse, was imperfect, en dat was onverdraaglijk. Het daarom werd dat miskend. Als de maakbaarheid begrenst leek, dan kwam dat omdat de overheid te klein was. Meer geld, meer ambtenaren. In vergelijking met medio 60-er jaren heeft de overheidsbegroting 5,5 maal het volume van nu. Maar tussen 2006 en vandaag is die nog verdubbeld.

Vanaf die periode domineert het bewustzijn van de moderniteit, de pretentie van het individu, van het ego. In brede kring. Dat bewustzijn leidt tot een veel algemenere en versterkte maakbaarheidsillusie. In progressieve kringen is maakbaarheid een product van de staat, en in liberale kringen is maakbaarheid een product van de markt. De versplintering van politieke facties neemt toe, maar de diversiteit van het politieke dogma degradeert tot één enkele these, de maakbaarheid.

Vanuit dit bewustzijn zien we complexiteit als mismanagement óf als een vraagstuk dat we aan wetenschappers moeten overlaten. Chaos, leert de van Dale is “verwarring, wanorde”.

Om die reden zal geen coalitie van bestaande partijen de pretentie/onmachtparadox kunnen doorbreken. Het ontbreekt in de politiek aan countervailing power tegenover de maakbaarheidsidee. En dus vinden de drama’s plaats als de Toeslagenaffaire. Sterker, anno 2021 is zelfs de VVD nog meer van de maakbaarheid en voorstander van een sterke overheid. Dat lijkt een opmerkelijk vooruitstrevende ontwikkeling bij deze wat gereserveerde partij maar het is feitelijk een logische versterking van de paradox. En dit zal het effect zijn:

Meer overheid naarmate de overheid onmachtiger wordt. Onmacht die verder escaleert. Die zal zich nog sterker voordoen als pretentie. Als deze pretentie voor de staat zelf tenslotte onverdraaglijk wordt zal hij die projecteren op de burger. Als die het passende gedrag vertoont komt alles goed.

En nu?

Geef een reactie